Al sinds de Karolingische tijd stond hier een godshuis. Van een oostelijk georiënteerd voorgangersgebouw uit de 14e eeuw is alleen de romaanse toren, die naar het huidige schip is verschoven, goed bewaard gebleven. Oorspronkelijk was hij alleen vanaf halverwege met ladders te bereiken en diende hij in zijn markante, verdedigende architectuur als gecombineerde vlucht-, wacht- en klokkentoren. Het moderne barokke godshuis behoorde ooit tot de ruimste in het lagere Selztal, uitgerust met kleurrijke glas-in-loodramen, een van de laatste originele Kohlhaas-orgels en twee altaren. De grote hoofdaltaar stamt uit een verdwenen kerk in Stadeck.
Decoratieve grafstenen in de binnen- en buitenruimte tonen, vergelijkbaar met de omstandigheden in Ober-Ingelheim, het voorrecht van de adel op een begraafplaats onder directe sacrale bescherming aan. Het patronaat lag al vroeg in handen van het Trierse kapittel St. Maximin, waartoe ook de proosdij Pfaffenhofen bij Schwabenheim behoorde.
Het oudste inventarisstuk is vermoedelijk een massieve monolithische offerblok, die waarschijnlijk in de 15e eeuw uit een zuilenfragment van de Neder-Ingelheimer keizersburcht is vervaardigd.
